Lettergrootte:

Terug
Boekjaar, jaarstukken en begroting
IV Boekjaar, jaarstukken en begroting

Artikel 23 -       Boekjaar
Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
 

Artikel 24 -       Jaarstukken
1.   De directie stelt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening, een jaarverslag, een volkshuisvestingsverslag en een overzicht met cijfermatige kerngegevens en prognoses op, die moeten voldoen aan de voorschriften die ter zake voor toegelaten instellingen gelden.
2.   De Raad van Toezicht laat de in lid 1 bedoelde stukken onderzoeken door een door hem aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of aan een organisatie waarin zodanige accountants samenwerken. Wijst de Raad van Toezicht geen accountant aan dan wordt deze door de directie aangewezen.
3.   De opdracht tot beoordeling van deze stukken kan worden inge­trokken door het orgaan dat deze opdracht heeft verleend.  Indien de directie de op­dracht tot beoordeling heeft ver­leend, kan deze tevens worden ingetrok­ken door de Raad van Toezicht.
4.   De directie stelt de stukken als bedoeld in het eerste lid niet vast en de Raad van Toezicht keurt deze niet goed alvorens zij kennis hebben genomen van de bevindingen van de accountant.
5.   Indien de Raad van Toezicht de stukken zoals bedoeld in het eerste lid goedkeurt verleent de Raad decharge aan de directie.
6.   De jaarrekening en het jaarverslag worden door de directie en de leden van de Raad van Toezicht ondertekend. Ontbreekt de handtekening van één of meer van hen, dan wordt daarvan onder opgave van redenen melding gemaakt.
 

Artikel 25 -       Begroting
Voor het begin van het boekjaar stelt de directie de begroting voor dat boekjaar vast.